Bekende Belgische Misdaadzaken

Een selectie van de meest spraakmakende misdaden in de Belgische geschiedenis.
Van internationaal beruchte rechtszaken tot mysteries die het nieuws wekenlang beheersten.

Zaak Dutroux

Source

De zaak-Dutroux was een geruchtmakend onderzoek en rechtszaak in België in en na de jaren 90 van de vorige eeuw rond de crimineel Marc Dutroux en zijn, bij de door hem gepleegde misdrijven als handlanger aangemerkte, vriend Michel Lelièvre. Dutroux stond zelf terecht op verdenking van ontvoering, gijzeling, verkrachting, moord en illegale handel en is veroordeeld tot levenslange opsluiting en terbeschikkingstelling van de regering.

Op 15 augustus 1996 werd de zes dagen tevoren ontvoerde Laetitia Delhez in zijn huis ontdekt, samen met Sabine Dardenne, die al bijna drie maanden opgesloten zat in de woning (14 en 12 jaar). Al snel bleek dat Dutroux ook verantwoordelijk was voor de ontvoering van Julie Lejeune, Mélissa Russo, An Marchal en Eefje Lambrecks, die allen dood werden teruggevonden. Daarnaast had hij ook de dood van zijn handlanger Bernard Weinstein op zijn geweten. De belangrijkste handlanger was zijn vrouw.
In het proces stonden naast hoofdverdachte Marc Dutroux zelf de volgende personen terecht:

  • Michel Nihoul, een zakenman en zakenpartner van Dutroux.
  • Michelle Martin, de ex-echtgenote van Dutroux;
  • Michel Lelièvre, een vriend van Dutroux;

Slachtoffers

Julie en Mélissa

Julie Lejeune (29 november 1987) en Mélissa Russo (11 september 1987), twee Waalse vriendinnetjes, werden op 24 juni 1995 samen ontvoerd in Grâce-Hollogne, een gemeente in de provincie Luik. De toen zevenjarige meisjes hadden samen nog op een brug over de autosnelweg gestaan om naar voorbijrijdende auto’s te zwaaien. Op 17 augustus 1996 werden hun lichamen teruggevonden in de tuin van Dutrouxs vrouw Michelle Martin in Sars-la-Buissière.

Dutroux werd beschuldigd van moord. Waarschijnlijk werd hij voor de ontvoering bijgestaan door een medeplichtige. Dat zou Bernard Weinstein geweest zijn, die later door Dutroux vermoord werd. Waarschijnlijk hebben Julie en Mélissa vanaf het moment van hun ontvoering nog ongeveer negen maanden in gevangenschap geleefd.

Gevangenschap en overlijden

De meisjes hebben samen opgesloten gezeten in een krappe cel, verborgen in de kelder van Dutrouxs huis in Marcinelle, die speciaal was gebouwd voor de opsluiting. Tijdens deze opsluiting zijn ze regelmatig misbruikt door zowel Weinstein als Dutroux. De toegang werd aan het oog onttrokken achter een zwaar houten rek vol conservenblikken en flessen. Waarschijnlijk vertelde Dutroux ook aan hen wat hij Sabine en Laetitia wijsmaakte: dat hij hen gered had uit de klauwen van ‘de baas’, en dat hun ouders heel goed wisten dat ze hier zaten maar het losgeld niet wilden of konden betalen.

Over de precieze doodsoorzaak is niet veel bekend. Waarschijnlijk kwamen zowel Julie als Mélissa om van honger en dorst, negen maanden na hun ontvoering. Dutroux was op 6 december 1995 gearresteerd en moest voor een tijd de gevangenis in. Hij had zijn vrouw Michelle Martin opgedragen voor de kinderen te zorgen, wat ze niet deed. Ze kwam wel de hond voeren, maar was naar eigen zeggen bang om de kelder in te gaan bij de kinderen. Na zijn vrijlating in maart 1996 trof Dutroux naar eigen zeggen een schrijnend tafereel aan: het gelijkvloers lag vol ontlasting van de honden, terwijl de kelder bezaaid was met papieren zakdoeken. De meisjes bevonden zich in zeer verzwakte en ondervoede staat; Julie zou die dag gestorven zijn, en Mélissa vier dagen later. Volgens experts is het echter onmogelijk dat twee meisjes van amper acht jaar oud, die al verzwakt zijn door de vijf maanden opsluiting die ze al doorgemaakt hadden, nog eens vier maanden konden overleven zonder eten of drinken. Hoe en of ze echt die vier maanden van Dutrouxs afwezigheid doorkwamen, weet niemand. Ze werden begraven in de tuin van Michelle Martin in Sars-la Buissière.

Vondst Julie en Mélissa en nasleep

Op 17 augustus 1996, vier dagen na de arrestatie van Dutroux en twee dagen na de bevrijding van Sabine en Laetitia, werden de lichamen van Julie en Mélissa op aanwijzingen van Dutroux opgegraven.

De ouders van Julie en Mélissa uitten tijdens persconferenties en talrijke televisie-uitzendingen felle kritiek op het onderzoek naar de verdwijning van hun kinderen, onder andere op het gebrek aan betrokkenheid bij het onderzoek en de weigering aan de ouders om het dossier in te zien.

De foto van de twee meisjes ging ondertussen de hele wereld rond en ze werden in België het symbool van het lijden van Dutrouxs zes slachtoffers. De gemeenschappelijke begrafenis van de twee op 22 augustus 1996 werd een officieuze dag van nationale rouw en legde het hele openbare leven in België plat. Julie en Mélissa liggen nu naast elkaar begraven op het kerkhof van Grâce-Hollogne.

In juni 1996 hoorde Julies vader, Jean-Denis Lejeune, over het National Center for Missing and Exploited Children in Washington D.C.. Hij besloot een gelijkwaardig project op te richten, specifiek voor België. Op 20 oktober 1996, de dag van de Witte Mars, legde hij zijn idee voor aan toenmalig eerste minister Jean-Luc Dehaene en vroeg zijn steun voor het opstarten. Op 31 maart 1998 werd het Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen operationeel, onder de naam Child Focus.

An en Eefje

De Vlaamse vriendinnen An Marchal (10 december 1977) en Eefje Lambrecks (30 januari 1976) werden in de nacht van 22 op 23 augustus 1995 bij Oostende ontvoerd na het bijwonen van een hypnoseshow van Rasti Rostelli. Omdat op videobeelden te zien was dat ze verward uit de show buitenkwamen, was die een tijdje verdachte.

Marc Dutroux was met Michel Lelièvre naar de kust gereden op zoek naar meisjes om te ontvoeren. De meisjes waren aan het liften en stapten volgens Dutroux en Lelièvre vrijwillig in de auto omdat ze dachten dat hen een lift werd aangeboden. Eenmaal in de auto vergrendelde Dutroux de sloten en dwongen hij en Lelièvre de meisjes door hen bij de keel vast te houden om geneesmiddelen (waarschijnlijk rohypnol of haldol) in te nemen waardoor ze insliepen. De meisjes werden naar Marcinelle gebracht en in de kamer van een van Dutrouxs zonen opgesloten, omdat Julie en Mélissa al in de kelder zaten. Daar werden ze regelmatig door Dutroux, Weinstein en Lelièvre misbruikt. An en Eefje werden strikt gescheiden gehouden van Julie en Mélissa, en waarschijnlijk wisten ze niet van elkaars bestaan. Als Julie en Mélissa uit de kelder gelaten werden, moesten ze heel stil zijn. Omdat Eefje Lambrecks twee keer probeerde te ontsnappen werden eerst de kleren van de meisjes afgepakt en werden ze daarna aan het bed vastgeketend. Wellicht vanwege Eefjes weerbarstigheid maar naar Dutrouxs eigen zeggen ook omdat vier meisjes in huis te veel was, werden de meisjes opnieuw verdoofd en levend begraven.

Op 3 september 1996 werden hun lichamen teruggevonden onder een loods in Jumet bij Charleroi, naast een huis dat eigendom was van Dutroux. De lichamen werden gevonden op aanwijzen van Dutroux, nadat hij eerst de ontvoering van Laetitia Delhez en drie andere meisjes had bekend. Er is geen zekerheid over het tijdstip noch over de omstandigheden van hun dood.

Vondst An en Eefje en nasleep

Op het optreden van de Belgische politie kwam veel kritiek, omdat de onderzoeksrechter pas twee weken na de ontvoering zou zijn ingelicht, en omdat er geen enkel verband werd gelegd met de ontvoering van Julie en Mélissa, twee maanden eerder. Er waren voldoende getuigen en andere aanwijzingen tot ongeveer 01.20 uur ’s nachts, daarna “leek het alsof ze van de aardbodem verdwenen waren”.

De Belgische politie had de homevideo’s van Marc Dutroux al een jaar op het bureau liggen, maar had ze niet bekeken omdat er geen videorecorder voorhanden was. Op een van de video’s was te zien hoe Dutroux de geheime kelder had gemaakt. Als de politie ze wél bekeken had, hadden An en Eefje wellicht nog gered kunnen worden. De verontwaardiging over de blunders in het onderzoek leidde tot de grootste demonstratie in de geschiedenis van het land: de Witte Mars.

De ouders van Eefje Lambrecks wensten geen ruchtbaarheid over de zaak en bleven zorgvuldig buiten de publiciteit, in tegenstelling tot de vader van An, Paul Marchal, met wie ze in botsing kwamen. An en Eefje werden niet samen begraven (in tegenstelling tot Julie en Mélissa). De rechtbank verbood Marchal tevens om een ‘An en Eefje’ op te richten.

Paul Marchal zou een van de spilfiguren van de Witte Beweging worden. Zo richtte hij eind 1997 de kortstondige Partij voor een Nieuwe Politiek in België (PNPb) op, en zette hij het Huis van An op, een plaats waar kinderen met problemen terechtkunnen.

Lambrecks was de enige van de slachtoffers van Dutroux die ten tijde van de misdaad wettelijk meerderjarig was; vermoedelijk hierom is haar geboortedatum niet genoemd in de officiële aanklacht.
Bernard Weinstein

Ook Dutrouxs eigen handlangers waren niet veilig voor hem. Kort na de moord op An en Eefje, in oktober 1995, liep een diefstal van een vrachtwagen door Weinstein en een andere kompaan, Pierre Rochow, uit de hand. Samen met Dutroux wilden ze de vrachtwagen verder verkopen, maar deze bleek uit de hangar van Dutroux te zijn gestolen. Weinstein en Dutroux verdachten Rochow en besloten hem een lesje te leren. Hierbij verdoofden ze Rochow, diens vriend en zijn vriendin. Ze beroofden de vriendin van Rochow, die echter kon ontsnappen en de politie waarschuwde. Weinstein en Dutroux moesten op 5 november 1995 tijdelijk onderduiken. Kort daarna vermoordde Dutroux Weinstein, deels uit angst om verraden te worden, deels om hem vooraf te bestelen. Dutroux verdoofde Weinstein door hem een gedrogeerde maaltijd voor te zetten, en martelde hem net zo lang tot hij toegang tot zijn kostbaarheden gaf. Dutroux maakte Weinstein zo ongeveer 500,000 Belgische franc afhandig, verdoofde hem opnieuw, en begroef hem levend in de tuin van het huis in Sars-la-Buissière, naast de plaats waar later ook Julie en Melissa begraven zouden worden. Nadien, op 6 december 1995, werd Dutroux opgepakt voor de gijzeling van Rochow en diens vriend en vriendin. Hij zat drie maanden en een half in voorarrest, tot 20 maart 1996.

Sabine en Laetitia

De Waalse meisjes Sabine Dardenne (28 oktober 1983) en Laetitia Delhez (25 november 1981) waren de laatste slachtoffers van de bende van Dutroux en de enige overlevenden.

Sabine werd op 28 mei 1996, op twaalfjarige leeftijd, ontvoerd toen zij op weg was naar school. Dutroux begon haar vrijwel meteen te misbruiken, en deed dat daarop elke dag opnieuw. Op andere momenten dwong hij haar tot huishoudelijk werk, en slechts voor dit werk werd ze soms tijdelijk uit de kelder gelaten. Ook als Dutroux naar Slowakije ging of wanneer er Slowaakse meisjes bij hem verbleven, bleef Dardenne opgesloten in de kelder.

Na 77 dagen gevangenschap kreeg zij gezelschap van de toen veertienjarige Delhez, die drie dagen daarvoor, op 9 augustus 1996, in Bertrix ontvoerd werd toen zij onderweg was naar huis na een bezoek aan het zwembad. Marc Dutroux en Michel Lelièvre hadden deze ontvoering, in tegenstelling tot die van Dardenne, niet goed voorbereid, waardoor het voor hen misliep. Delhez werd aangesproken en in de bestelwagen gesleurd, maar de problemen met de wagen zorgden er voor dat Lelièvre, die aan het stuur zat bij de ontvoering, niet snel weg kon komen. Hierdoor konden ooggetuigen het voertuig en de nummerplaat beschrijven. Doordat de aftandse wagen een hels kabaal maakte trok deze de aandacht van een getuige die het voertuig beschreef, en een student had een deel van de nummerplaat onthouden. Eenmaal in Marcinelle verkrachtte Dutroux Laetitia herhaaldelijk en sloot hij haar na enkele dagen op bij Sabine Dardenne.

Op 15 augustus 1996 werden beide meisjes bevrijd door de Belgische politie. Dutroux was twee dagen eerder gearresteerd, en gaf toe hen beiden verkracht en misbruikt te hebben. Dardenne en Delhez getuigden beiden tegen Dutroux. Tijdens het proces vroegen zij hem waarom hij hen misbruikt en verkracht had. Sabine stelde rechtstreeks de vraag waarom Dutroux haar niet had vermoord. Dutroux gaf geen antwoord. Sabine Dardenne publiceerde in 2004 een boek over de gebeurtenissen.

Onderzoek

Het gedwongen vertrek van onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte, vanwege het spaghetti-arrest, leidde in het najaar van 1996 tot commotie. Connerotte had aan een benefietavond voor de ouders van vermiste kinderen deelgenomen en er een bord spaghetti gegeten en een vulpen gekregen. Dit was een overtreding van de onpartijdigheid die zijn functie vereiste en hij werd van de zaak gehaald. Het grote publiek wantrouwde politie en overheid, en toonde dat met een grote protestdemonstratie in Brussel, de zogeheten Witte Mars. Connerottes opvolger Jacques Langlois bleek een beginner; het onderzoek-Dutroux was zijn eerste zaak. Anders dan procureur Michel Bourlet geloofde hij niet dat Dutroux en medeverdachte Michel Nihoul betrokken waren bij een prostitutienetwerk. Het kostte Langlois bijna acht jaar om de zaak rond te krijgen: een record in de Belgische rechtsgeschiedenis.

De verklaringen van getuige X1 (Regina Louf) over een geheim netwerk waarin kinderen werden misbruikt en vermoord en waarvan Dutroux en Nihoul deel zouden uitmaken, werden onderzocht, maar er werden volgens het parket geen aanwijzingen gevonden dat haar verhaal op waarheid zou berusten. Het gerecht besloot dit spoor noch het spoor naar satanisch ritueel misbruik verder te volgen.

Marc Dutroux wist op 23 april 1998 kortstondig te ontsnappen. Dit leidde tot het ontslag van twee ministers (minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte en minister van Justitie Stefaan De Clerck) en van luitenant-generaal Willy Deridder, commandant van de rijkswacht. De boswachter die Dutroux ving, Stéphane Michaux, werd later ontvangen door de koning.

Proces

Op 1 maart 2004 startte het proces tegen Marc Dutroux, zijn vrouw Michelle Martin, vriend Michel Lelièvre en zakenman Michel Nihoul. Het werd gehouden in Aarlen, omdat de zittingszaal van het Hof van Assisen niet voldoende plaats kon bieden aan de duizenden journalisten en andere belangstellenden voor -wat al snel genoemd werd- “Het proces van de Eeuw”.

Hoofdverdachte Dutroux stond terecht voor de ontvoering en opsluiting van Julie Lejeune, Mélissa Russo, An Marchal, Eefje Lambrecks, Sabine Dardenne, Laetitia Delhez en zijn handlanger Bernard Weinstein, en tevens voor de moord op Bernard Weinstein en An en Eefje. Daarnaast werd hij aangeklaagd wegens de gijzeling van vier tieners in zijn vrachtwagen, verkrachting van de bovengenoemde meisjes en nog 3 andere meisjes, drugshandel, illegale autohandel, valse identiteitsbewijzen en diefstal met geweld. Deze misdaden werden in een apart proces behandeld.

Op de eerste dag werd uit 180 kandidaten de jury gekozen: 12 leden en 12 reserve-leden. De akte van beschuldiging, die op de tweede dag wordt voorgelezen, besloeg 74 pagina’s. Op 3 maart 2004 vonden de verhoren van de verdachten plaats. Dutroux bekende de ontvoering en verkrachting van An, Eefje, Sabine en Laetitia, maar verklaarde dat de ontvoering van Julie en Mélissa het werk van Michel Nihoul was. Ook ontkende hij de verantwoordelijkheid voor de dood van de meisjes. Hij beweerde slechts een klein radertje in een veel groter netwerk te zijn en in opdracht gehandeld te hebben. Volgens hem zouden agenten hem hebben meegeholpen bij de ontvoering van An en Eefje. Op 4 maart 2004 begonnen de getuigenverhoren. Naast onderzoeksrechter Connerotte werden ook de beide overlevende slachtoffers Sabine Dardenne en Laetitia Delhez gehoord. Beide meisjes verklaarden door Dutroux te zijn ontvoerd en langdurig te zijn vastgehouden en misbruikt. Sabine zat 81 dagen vast in een kleine ruimte in Dutrouxs kelder.

Haar getuigenis staat beschreven in het boek Ik was twaalf en ik fietste naar school uit 2004. Ze weigerde nadrukkelijk de excuses van Michelle Martin te aanvaarden. Laetitia verklaarde hoe zij als 14-jarige op straat door Dutroux in een busje werd ontvoerd en naar zijn huis gebracht. Hier werd ze door hem gedrogeerd en misbruikt. Ze zat samen met Sabine opgesloten in de kelderruimte. In tegenstelling tot Sabine geloofde Laetitia wel dat Dutroux onderdeel uitmaakte van een pedofielennetwerk. Het bestaan van dit netwerk werd niet onderzocht in het proces. Tussen 8 maart en 19 mei 2004 werden meer dan 560 getuigen gehoord. Na het requisitoir en de pleidooien kregen op 10 juni 2004 de verdachten het laatste woord. In een drie uur durend betoog presenteerde Dutroux zich andermaal als slachtoffer in plaats van dader.

Arrest

Op 17 juni 2004 verklaarde de jury de verdachten schuldig aan alle ten laste gelegde feiten, behalve Michel Nihoul, die grotendeels werd vrijgesproken. Dutroux werd ook schuldig bevonden aan ontvoering van zes meisjes en moord op vier van hen. Volgens de jury stond hij aan het hoofd van een criminele bende en is hij ook verantwoordelijk voor de verkrachting van drie meisjes uit Slowakije. Op 22 juni 2004 werd hij veroordeeld tot levenslange opsluiting en 10 jaar terbeschikkingstelling van de regering. Dutroux vond het proces echter oneerlijk omdat van tevoren al vaststond dat hij veroordeeld zou worden en verklaarde in cassatie te willen gaan. Michelle Martin kreeg 30 jaar cel, Michel Lelièvre 25 jaar. Michel Nihoul werd vrijgesproken van betrokkenheid bij de ontvoeringen maar kreeg 5 jaar voor de drugshandel en bendevorming.1

ADRES

Zaak Pandy

Source

De zaak-Pándy was een rechtszaak in België rond András Pándy (Csap, 1 juni 1927 – Brugge, 23 december 2013), een dominee van Hongaarse afkomst, later genaturaliseerd tot Belg, die destijds in Brussel woonde en samen met zijn dochter Ágnes werd beschuldigd van zes moorden. Pándy werd tevens beschuldigd van de verkrachting van drie van zijn dochters, onder wie Ágnes. Zij werd eveneens verdacht van één moordpoging en de moord op vijf gezinsleden.

De Gezinsleden

András Pándy werd geboren op 1 juni 1927 te Csap, toentertijd Tsjechoslowakije, tegenwoordig Oekraïne. Hij overleed in de gevangenis van Brugge in de nacht van 22 op 23 december 2013 na een slepende ziekte.

Korte familiegeschiedenis : opmaat naar moorden

András Pándy trouwt op 17 september 1956 in Hongarije met Ilona Sores. In december 1957 komt het echtpaar aan in België. Hun dochter Ágnes wordt in 1958 geboren te Elsene. In 1961 krijgt het echtpaar een zwakbegaafd kind genaamd Daniël en in 1966 een zoon genaamd Zoltán. Een jaar na de geboorte van Zoltán is Ilona haar tirannieke en hardhandige echtgenoot zat en verhuist met haar zoontje Daniël.

In 1967 scheidt Pándy van Ilona Sores. Begin 1969 begint Pándy met het misbruiken van zijn 11-jarige dochter. Hij hertrouwt in 1979 met de Hongaarse Edit Fintor. Zij brengt haar drie dochters Tímea (15), Andrea (8) en Tünde (7) uit twee vorige huwelijken mee. Pándy gaf toentertijd als dominee godsdienstles op enkele rijksscholen. In 1980 wordt uit zijn huwelijk met Edit Fintor hun zoon András jr. geboren en in 1981 wordt dochter Réka geboren.

In 1984 begint Pándy een relatie met Edits dochter Tímea, die dan 20 jaar is. Tímea wordt zwanger. Tímea probeert haar zwangerschap verborgen te houden. Wanneer Pándy zijn stiefdochter naar zijn oudste dochter Ágnes stuurt, probeert Ágnes haar uit jaloezie te vermoorden. Tímea belandt in het ziekenhuis en dient een aanklacht in bij de politie. Daarna betrekt zij een flat en daar bevalt zij van haar zoon Mark. In 1986 emigreert Tímea met haar zoontje Mark naar Canada waar een oom van haar moeder woont. Voordat ze vertrekt vertelt ze haar moeder Edit dat haar stiefvader Pándy de biologische vader is van Mark.

Andras pandy en de moorden

Na een ruzie met Pándy vlucht Edit (zijn tweede echtgenote) met haar 14-jarige dochter Andrea, wat beiden fataal wordt. Ágnes heeft meegedaan of toegekeken bij deze dubbele moord. Aan de familie van Edit laat András weten dat zij met haar minnaar en dochter naar Duitsland was vertrokken. Ze legde een telegram neer als bewijs.

Twee jaar later worden ook Ilona Sores (1e echtgenote) en haar 27-jarige zoon Daniël vermoord door Ágnes. Zij lokt hen de kelder in en schiet hen beiden met een pistool dood. De 22-jarige Zoltán vindt sporen en wordt ook vermoord. Aan de familie van Ilona laat Pándy een telegram zien waarop staat dat zij in Frankrijk zou verblijven.

De Verenigde Protestantse Kerk in België, waaraan Pándy toen officieel als predikant met een bijzondere opdracht verbonden was, heeft nooit een aanklacht tegen Pándy ingediend, omdat zij naar haar zeggen nooit een klacht over dominee Pándy ontvangen had. Een Nederlandse collega-dominee, Andries den Broeder, was de eerste die aangifte deed. In 1988 is dominee Den Broeder door de vader en de zuster van Edit Fintor op de hoogte gesteld van de vermissing van Edit en daarna ook van de incest door Pándy met zijn stiefdochter Timea, met als gevolg de geboorte van Mark. Eerst heeft dominee Den Broeder geprobeerd om met Pándy zelf in contact te komen, via de telefoon, via een brief en ten slotte via de kerkelijke instanties. Nadat dit alles mislukt was stelde dominee Den Broeder in juni 1989 de toenmalige minister van Justitie, Melchior Wathelet, op de hoogte van de feiten die hij over Pándy te weten was gekomen. Deze aangifte geschiedde in een brief aan koningin Fabiola, door haar kabinet doorgezonden aan minister Wathelet. Na rappel antwoordt minister Wathelet dominee Den Broeder pas in september 1993 met de mededeling: “Als Minister van Justitie kan ik hierin niet tussenkomen.”

In 1989 stuurt Pándy zijn dochter Ágnes met de kleine Réka en András jr. naar het strand. Zo heeft hij zijn handen vrij voor de moord op Tünde. Het zou de enige echt bewezen moord zijn die András Pándy zélf gepleegd heeft.

In 1992 doet Ágnes aangifte van vermissing van de zes familieleden bij de politie en ook aangifte van incest door haar vader. De kleine Réka en András jr. worden in een kinderopvang geplaatst. Pándy wist de politie lange tijd voor de gek te houden, door vriendinnen uit Hongarije over te halen de gestuurde brieven te ondertekenen met “Ilona Sores” en “Edit Fintor”. Verder voedde Pándy kinderen uit Hongarije op die waarschijnlijk ook seksueel misbruikt zijn. In 1996 vraagt de politie de Hongaarse gemeenschap om medewerking. Zij ontdekten toen in hun vaderland de truc met de valse brieven en sturen het bewijs naar de Belgische politie. In 1997 kwam de zaak aan het rollen.

Kerkelijke positie van andras pandy

In Hongarije was András Pándy in de Protestantse Gereformeerde Kerk aldaar ‘allelkész’, een titel die de onderste trede van de predikantencarrière aanduidt. Deze Hongaarse kerk heeft verder niets te maken met Pándy’s kerkelijke positie en activiteiten in België. In de roerige tijd van de Hongaarse revolutie van 1956 komt Pándy in Zwitserland terecht, vanwaar hij in 1958 naar België gehaald wordt, om dominee te worden van een kleine Hongaarse protestantse kerk te Brussel en Luik. Deze kerk maakte deel uit van een van de Belgische protestantse kerken die in 1979 fuseerden als Verenigde Protestantse Kerk in België. De Bethlen Gábor Naptár, uitgave van de Hongaars protestantse kerk in de VS, bericht over een kerkscheuring in de Hongaarse zusterkerk in België in 1975. De minderheid, waaronder dominee Pándy, bleef binnen het verband van de Belgische protestantse kerk waartoe zij behoorden. De meerderheid van de Hongaarse protestanten in België scheidde zich daarvan af en ging verder als zelfstandige, onafhankelijke gemeente.

In ‘Reformátusok Lapja’, het officiële orgaan van de Protestantse Gereformeerde Kerk in Hongarije verscheen in jaargang 22, nr. 15 van 9 april 1978 een interview met József Teleki, een vooraanstaande leider van de afgescheiden Hongaarse protestanten in Brussel. In dit interview worden ten overstaan van het thuisfront in Hongarije de scherpe kantjes van de kerkscheuring uit 1975 gladgepolijst. De loftrompet wordt gestoken over de voorbeeldige ijver en onbaatzuchtigheid van dominee András Pándy. De vraag komt op of dit interview misschien door Pándy zelf geïnitieerd is. In de sinds 1979 gefuseerde Verenigde Protestantse Kerk in België was dominee Pándy predikant en uitsluitend actief in het protestantse godsdienstonderwijs op enkele rijksscholen. Slechts incidenteel ging hij voor in erediensten. Op 28 oktober 1997 deelt de Verenigde Protestantse Kerk in België officieel mee A. Pándy in het kader van het lopende justitiële onderzoek als predikant te schorsen, om hem later definitief uit zijn ambt te zetten.

de feiten

In 1992 stapt Ágnes Pándy voor het eerst naar de Brusselse politie, en dient ze een klacht in inzake de verdwijning van haar familieleden en verkrachting door haar vader.

6 mei 1996. Tijdens de nasleep van de zaak Dutroux worden alle dossiers in de verdwijningszaak van onder het stof vandaan gehaald, ook dat van de verdwenen Pándy’s. In Hongarije, het vaderland van de familie Pándy, loopt eveneens een onderzoek.

Een jaar later krijgt commissaris François Monsieur het dossier in handen en na enig puzzelwerk vraagt hij Ágnes Pándy voor een gesprek.

Op 16 oktober 1997 wordt Pándy opgepakt; hij werkt echter niet mee met het gerecht. Meteen hierna worden graafwerken gestart in een van Pándy’s woningen, waar onder het beton van de kelder botfragmenten en tanden worden gevonden. Op 20 november 1997 wordt Ágnes Pándy aangehouden en bekent ze, na een wandeling rond het gerechtsgebouw, vijf moorden.

Het onderzoek

Ontstoppingsmiddel

Lijken van de vermoorde familieleden zijn nooit gevonden. Volgens de verklaringen van Ágnes Pándy zijn deze in een bad met een ontstoppingsmiddel opgelost; resten werden achteraf gedumpt bij het slachthuis van Anderlecht.

In november 1998 liet onderzoeksrechter Bruno Bulthé dit door wetenschappers van de Katholieke Universiteit Leuven onderzoeken. Na een proef op een lijk met het door Ágnes Pándy genoemde product, dat eveneens in grote hoeveelheden in Pándy’s huis was gevonden, blijkt er na een dag weinig over van het lijk; zelfs de tanden werden grotendeels opgelost.

DNA-analyse

Een grootschalig onderzoek in zowel België als Hongarije toont met waarschijnlijke zekerheid aan dat András Pándy vader is van Mark, zoon van Timea (dochter uit een vorig huwelijk van András Pándy’s tweede vrouw). Toch blijft András ontkennen ooit seksuele betrekking met Timea te hebben gehad, en verklaart hij haar bevruchting als buiten zijn wil, en zou deze plaatsgevonden hebben door middel van spermasporen op een handdoek.

Pándy’s dagboek

Pándy beschreef in zijn dagboeken niet precies zijn moorden. Hij gebruikte afkortingen en de speurders hadden veel tijd nodig om alles te ontcijferen. Maar met de hulp van Ágnes is dit toch gelukt.

Het proces

Op 18 februari 2002 startte het assisenproces.

András Pándy heeft nooit schuld bekend en harde bewijzen zijn er niet. Toch zijn er sterke aanwijzingen van schuld, die de verdediging tracht te weerleggen met het argument “om iemand schuldig te verklaren moet je bewijzen hebben, niet alleen aanwijzingen”. Advocaat van Pándy was Meester Hein Diependaele uit Sint-Lievens-Houtem. In 2005 werd Diependaele door zijn echtgenote advocate Marijke Moens met een geweer vermoord in het ouderlijk huis, waarna zij zelfmoord pleegde. Diependaele was een topassisenpleiter, afkomstig uit Zottegem.

András Pándy werd schuldig bevonden aan de moord op zes van zijn familieleden, een moordpoging en verkrachting van drie dochters. Het Brusselse hof van assisen veroordeelde hem hiervoor tot levenslange gevangenisstraf. Ágnes Pándy, zijn dochter, werd schuldig bevonden aan moord voor vijf van deze moorden en voor de moordpoging op haar stiefzuster Timea. Zij kreeg hiervoor 21 jaar celstraf.

András Pándy vocht, zonder succes, zijn veroordeling aan bij het Hof van Cassatie, dit in tegenstelling tot Ágnes Pándy, die zich bij de uitspraak neerlegde.

Na het proces

Op 14 juni 2010 is Ágnes vrijgelaten uit de gevangenis van Brugge. Andras Pándy overleed in de nacht van 22 op 23 december 2013 in de gevangenis aan een slepende ziekte.2

Adres

  1. https://nl.wikipedia.org/wiki/Zaak-Dutroux ↩︎
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Zaak-P%C3%A1ndy ↩︎

Scroll naar boven